De rechtbank in Maastricht heeft een trainster veroordeeld tot de aankoop van vier wedstrijdpaarden van het Belgische bedrijf Martrick Benelux. Hoewel de vrouw claimde dat er slechts sprake was van een ‘vriendendienst’, oordeelde de rechter dat de getekende koopovereenkomst bindend is. De trainster moet nu de volledige koopsom van 1 miljoen euro, vermeerderd met proceskosten, ophoesten.
De zaak vindt zijn oorsprong in januari 2016. De vrouw sloot destijds via haar bedrijf een samenwerkingsovereenkomst met de firma Martrick Benelux uit Knokke-Heist. Onder de titel ‘overeenkomst tot training paard’ kreeg zij vier wedstrijdpaarden onder haar hoede. De afspraak was helder: de vrouw trainde de paarden en bracht ze uit op wedstrijden, waarbij het gewonnen prijzengeld tussen de eigenaar en de trainster werd verdeeld.
Zes jaar later veranderde de zakelijke relatie echter drastisch. Martrick stuurde een nieuwe overeenkomst naar de trainster: een koopovereenkomst voor de vier paarden met een prijskaartje van maar liefst 1 miljoen euro. Hoewel deze akte door beide partijen werd ondertekend, bleef betaling uit.
"Vriendendienst" houdt geen stand
Toen de eigenaar naar de rechter stapte om de miljoenenclaim af te dwingen, voerde de trainster aan dat zij nooit de intentie had om de paarden daadwerkelijk te kopen. Volgens haar was de ondertekening van de akte een "vriendendienst" en dacht zij dat de paarden enkel bij haar zouden blijven voor training. In een e-mail uit februari 2025 gaf zij echter nog aan dat een financier bezig was het bedrag vrij te maken uit een investeringsfonds.
De rechter maakte korte metten met het verweer van de trainster. In de onderhandse akte stond volgens de uitspraak "klip en klaar" dat het om een verkoop ging voor een bedrag van 1 miljoen euro. Door het zetten van haar handtekening was de eerdere trainingsovereenkomst juridisch komen te vervallen en vervangen door een bindende koop.
Dure les
De uitspraak is een bittere pil voor de trainster. Naast de koopsom van 1 miljoen euro is zij veroordeeld tot het betalen van de proceskosten, die ruim 16.000 euro bedragen. De zaak dient als een scherpe waarschuwing binnen de paardenwereld over het belang van het zorgvuldig lezen en ondertekenen van contracten, ongeacht de onderlinge relatie tussen eigenaar en ruiter.